Kolkvenwandeling in Oisterwijkse Bossen en Vennen

Kolkvenwandeling in het kort

Route
Kolkven rondwandeling, aangegeven met paaltjes met witte pijl, lengte 5,5 km, duur 1,5 uur.

Startpunt
Het bezoekerscentrum Oisterwijk.

Beste seizoen
Alle seizoenen; de kenmerkende rust en ruimte is vooral buiten de weekeinden en vakanties te vinden.

Rolstoelgebruikers
Het bezoekerscentrum heeft enkele speciale voorzieningen: aangepast toilet, leenrolstoelen en ringleiding; de Kolkvenroute is minder geschikt voor rolstoelgebruikers. Wel start er vanaf het bezoekerscentrum een rolstoelpad van ongeveer 3 km.

Routebeschrijving
Met het openbaar vervoer:
reist u naar NS-station Oisterwijk. Daarvandaan kunt u de treintaxi nemen of in ongeveer 20 minuten via de wit-rood gemarkeerde NS-wandelroute naar het bezoekerscentrum lopen.

Met eigen vervoer:
neemt u vanaf de weg Den Bosch-Tilburg (A65) de afslag Oisterwijk/Moergestel. In Oisterwijk 2e rotonde links. Daarna 2e rotonde rechts. Verder de bordjes ‘Natuurmonumenten’ of ‘andere recreatievoorzieningen’ volgen.

Gebiedsinformatie
De bossen bij Oisterwijk zijn zeer aantrekkelijk om te wandelen. Met name de rust die de door bomen beschutte vennen uitstralen is een weldaad voor de moderne mens. In de jaren negentig heeft Natuurmonumenten drie vennen in de oude, natuurlijke staat teruggebracht. U kunt de resultaten zien als u deze route volgt. Lopend door het bos merkt u tevens dat ook daar de nodige ingrepen zijn verricht. Hierdoor krijgen de vanaf de negentiende eeuw aangeplante naaldbossen langzaam maar zeker een meer natuurlijke aanblik, met een grotere variatie aan kruiden, struiken, loofbomen en dood hout.

Op weg (1)
De Kolkvenwandeling begint en eindigt bij het bezoekerscentrum Oisterwijk (1). Een goede gelegenheid om zowel van tevoren als na afloop informatie in te winnen over het mooie natuurgebied de Oisterwijkse Bossen en Vennen. Het eerste paaltje met witte pijl vindt u recht voor de deur van het bezoekerscentrum.

Begin pagina
Naar een natuurlijker bos (2)
Het deel van het bos (2) waar u nu doorheen loopt was ruim een eeuw geleden nog een open heidevlakte. Het is aangelegd omdat de heide zijn economische waarde voor de boeren had verloren. Hier bij Oisterwijk zijn vooral grove dennen aangeplant om hout te leveren voor de mijnbouw in Zuid-Limburg. Vanaf de jaren zeventig is Natuurmonumenten begonnen om deze vrij monotone dennenakkers om te vormen naar een meer natuurlijk bos. Daarvoor zijn op diverse plaatsen open plekken in het dichte naaldbos gehakt. Op de ruimte waar het zonlicht nu weer de bosbodem bereikt ziet u dat er overal jonge loofboompjes, struiken en kruiden zijn opgekomen. Na verloop van tijd zal het bos vanzelf uitgroeien tot een gevarieerd geheel, waar veel verschillende planten en dieren zich thuis voelen.
Begin pagina
Naalden tellen (3)
Alhoewel er steeds meer loofbomen in de Oisterwijkse bossen komen, blijven de naaldbomen voorlopig in de meerderheid. Een manier om de belangrijkste soorten die hier (3) staan te herkennen, is het tellen van de naalden. Als de naalden steeds twee aan twee in een kokertje zitten is het een den. Zit elke naald apart aan de tak dan is het een spar. En als de naalden in bundeltjes van 20 of meer bij elkaar zitten dan is het een lariks. Een ezelsbruggetje hierbij is: solo = spar, duo = den en legio = lariks.
Begin pagina
Dood hout natuurlijk (4)
Her en der (4) ziet u dode bomen in het bos staan of liggen. Natuurmonumenten laat de afgestorven stammen gewoon in het bos staan omdat dood hout in een natuurlijk bos thuishoort. Ze vormen een belangrijke schakel in de kringloop. Het wegrottende hout levert voedingsstoffen op waar andere bomen weer van kunnen groeien. Ondertussen leveren de vele diertjes die de dode boom afbreken weer voedsel op voor vogels en zoogdieren. Aan de spechtengaten in de berken is te zien dat er heel wat insecten uit een dode boom te halen zijn. Daarnaast bieden de kwijnende stammen, afgerukte takken en ander dood hout goede schuil- en nestplaatsen, voor een rustend ree bijvoorbeeld of een roodborstengezin.
Begin pagina
Vogels luisteren (5)
Hoe gevarieerder het bos is, hoe meer vogelsoorten er een plaats kunnen vinden. Als u eens even rustig op het bankje (5) gaat zitten kunt u wellicht horen hoe divers het bos hier inmiddels is. Het goudhaantje, herkenbaar aan zijn hoge sie-sie geluid, houdt vooral van naaldbomen. De kwebbelende vinkjes zijn meer gesteld op afwisseling. En het roodborstje durft pas uit volle borst te zingen als er voldoende struikgewas is om aan een jagende sperwer te kunnen ontkomen.
Begin pagina
Kolkven (6, 7 en 8)
Vanuit het bos ziet u plots het Kolkven (6) schitteren. Dit ven is niet door poolwinden uitgestoven, zoals veel andere vennen in de buurt. Het kolkende water van een oude (smeltwater-) rivier moet het hebben uitgeslepen. Hierdoor is het Kolkven ook een stuk dieper dan de andere Oisterwijkse vennen en biedt het meer plaats aan watervogels. Om de vogels niet te verstoren kunt u het Kolkven het beste bekijken vanachter het vogelscherm (7). Daar is ook een informatiebord met uitleg over de verschillende soorten die op en rond het ven leven. Hier (8) loopt u langs de grens van het Natuurmonumentengebied.
Begin pagina
Laat maar waaien (9)
Aan de linkerzijde van de zomereikenlaan (9) ziet u de drassige omgeving van het Achterste Kolkven. Natuurmonumenten heeft de natuur hier zoveel mogelijk haar eigen gang laten gaan. Inmiddels is het uitgegroeid tot een bijna onbegaanbaar moerasbos van omgewaaide berken, jonge boompjes en waterloopjes. Om de vele dieren die zich in dit doolhof schuilhouden rust te gunnen is dit bos niet toegankelijk gemaakt voor het publiek. Ook aan de rechterzijde, waar nu nog voornamelijk weilandjes liggen, zal de natuur de vrije hand krijgen.
Begin pagina
Brandven (10)
Terug in het bos komt u spoedig bij het wonderschone Brandven(10). Natuurmonumenten is niet altijd even blij met weelderige begroeiing van witte waterlelies. Zij horen oorspronkelijk niet in een ven thuis, maar kunnen er groeien dankzij het voedselrijker worden van het water, bijvoorbeeld door bladinval. De waterlelies zorgen ervoor dat het vennetje langzaam maar zeker dichtgroeit.
In het verleden is het ven ook voor een groot deel dichtgegroeid geweest, waarna mensen het weer hebben open gegraven om de plantenresten als turf in de kachel te kunnen stoken. De bulten pijpenstrootje laten zien tot waar er turf gebaggerd is.
Begin pagina

Diaconieven (11)
De langwerpige vorm en de omringende heuvels duiden erop dat dit ven (11) in een ver verleden door de wind is gevormd. De laagte is door de overheersende zuidwestenwind uitgestoven, zodat voornamelijk aan de noordoost kant duintjes zijn ontstaan. Aan de plantengroei kunt u zien dat dit ven veel voedselarmer (en dus meer natuurlijk) is dan de vorige vennen: witte waterlelies ontbreken nagenoeg en langs de oevers groeit bijvoorbeeld waternavel (herkenbaar aan het kuiltje in het midden van het blad).

Bron: Natuurrmonumenten

Zie ook: